Ons groene Foodieshart gaat sneller kloppen van duurzaam ondernemen. Daarom in Foodies maandelijks de leukste (en lekkerste) initiatieven van eigen bodem. Dit keer spreekt Marieke met Sander Zoutman van Groningse honing.
Groningse honing
Hoe is Groningse honing ontstaan?
“Het is echt een uit de hand gelopen hobby. Ik kocht een bijenkast en kwam er al snel achter dat je er eigenlijk minimaal twee nodig hebt om de bijen goed te kunnen observeren. Voor ik het wist had ik er twintig. In die periode gebeurde er privé ook veel en dat zette me aan het denken. Toen mijn werkgever vroeg wanneer ik terugkwam, wist ik ineens: dat wil ik niet meer. Ik wil verder met de bijen, met de natuur, met iets wat écht goed voelt. Zo is Groningse Honing langzaam gegroeid van hobby naar een bedrijf dat lokale, rauwe honing produceert vanuit kleinschalige bijenstanden in het noorden van het land. Daarnaast plaatsen we ook bijenkasten bij bedrijven.”
Waarom kiezen jullie voor kleinschalige bijenstanden?
“Een bijenkast bevat ongeveer 50.000 bijen. Als je er honderd op één plek zet, heb je dus miljoenen bijen die in hetzelfde gebied voedsel zoeken. Dat kan ten koste gaan van andere insecten. Daarom kiezen wij bewust voor kleine kasten en plaatsen we er maar een paar per locatie. Zo blijft het in balans.”
Hoe wordt honing geproduceerd?
“Het begint natuurlijk allemaal bij de bij. Veel mensen denken dat je als imker voor de bijen zorgt, maar eigenlijk is het andersom. Die bij redt zich al miljoenen jaren prima. Wat wij vooral moeten doen, is zorgen voor de omgeving van de bij. Want alleen bij voldoende variatie in het landschap - bloemen, bomen en bloeiende planten – is er genoeg nectar voor de bij om honing van te maken. Verder is het als imker afwachten totdat je in de lente en zomer kan oogsten. Dit doen meestal één keer, soms twee keer. Is het voorjaar nat of valt de zomer tegen, dan is er simpelweg minder honing. We oogsten alleen als de bijen het kunnen missen. Hebben ze de honing zelf nodig als wintervoorraad, dan blijft het in de kast. Dat maakt het financieel soms spannend, maar het welzijn van de bij gaat altijd voor.”
Wat maakt de honing anders dan ‘gewone’ honing uit de supermarkt?
“We oogsten, slingeren en zeven één keer, en daarna gaat de honing direct in de pot. Er wordt niets verhit of bewerkt. Dat zie je terug in de kleur en smaak, die onder andere per seizoen kan verschillen. Dat zie je bij supermarkthoning zelden. Deze is eigenlijk altijd hetzelfde. Door de massaproductie wordt de honing zo bewerkt dat het steeds dezelfde kleur en structuur heeft.”
Proef je verschil tussen locaties?
“Absoluut. Een bij vliegt in een straal van zo’n drie kilometer rondom de kast. Alles wat daar bloeit, bepaalt uiteindelijk de smaak van de honing. Dat kan een lindeboom zijn, een berm vol wilde bloemen, fruitbloesem of bramenstruiken. Wat de bij verzamelt, nemen ze mee terug naar de kast en daar maken ze honing van. Hierdoor kan honing uit de stad totaal anders smaken dan uit het aangrenzende dorp. Zelfs wanneer twee kasten direct naast elkaar staan, kan de honing verschillen in kleur en smaak. Maar dat betekent niet dat uit een kast op een bedrijventerrein geen goede honing komt. In een groenstrook zit soms ook verrassend veel biodiversiteit. Bovendien vliegt een bij verder dan je denkt, dus ook omliggende parken, tuinen en weilanden tellen mee.”
Hoe dragen jullie bij aan de biodiversiteit?
“We doen veel meer dan alleen honing oogsten. We werken samen met organisaties die zaden uitdelen en planten bomen. Bij bedrijven waar we bijenkasten plaatsen, kijken we ook naar wat er nog meer kan: bloemenstroken, zaailingen planten, soms zelfs een tiny forest aanleggen. Door workshops te geven aan de medewerkers en scholen, willen we laten zien dat je met kleine acties al veel impact kunt maken. Op de omgeving van de bij, maar natuurlijk ook op die van ons.”